Het is geen winter in de haven, maar deze steenloper loopt over het ijs, dat door de vissers op de kade is achtergelaten. Daar komen vaak vogels op af, op zoek naar nog een vissig hapje.

 

Hier heeft de winter goed toegeslagen. De kanoet leeft gewoonlijk op het wad, maar toen het wad halfbevroren was, zocht hij de beschutting van de haven op. Je ziet het ijs aan de vleugels zitten.
De gekleurde boten geven soms mooie reflecties in het water. Deze roodhalsfuut paste er goed bij. Je ziet hem maar een enkele keer. Hier is het voorjaar en is zijn hals mooi rood gekleurd. In de winter is hij grijs.

De middelste zaagbek vist in zout water. Zijn tegenhanger, de grote zaagbek, is meer in zoet water te vinden.Met de scherp getande snavel, de zaag, heeft hij goed grip op de vis, die hij vangt.

De scholekster is een vaste gast in de haven. Maar niet alleen in de haven natuurlijk, je ziet hem zelfs wel in stedelijk gebied. Hij is dus geen eenkennige eter. De vorm van de snavel is afhankelijk van het voedsel, dat hij eet. Iets scherper of iets stomper. Hij slijt snel.

De roodkaalduiker is een vrij zeldzame wintergast in de haven. De winter is aan zijn verenkleed af te zien, behoorlijk egaal gekleurd. In het voorjaar verschijnt het rood op zijn keel.

De stenige kust aan de buitenkant van de haven is het domein van de paarse strandloper. Je ziet hem wel op de basaltblokken van de dijk scharrelen. Het is een wintergast, want zijn broedgebied is in het hoge noorden.