De watersnip heeft, net als veel andere vogels, een schutkleur om niet op te vallen. Hij waant zich zo veilig  door zijn bij de omgeving passende verenkleed, dat hij bij onraad tot het laatste moment wacht met opvliegen. Vooral in de trektijd is hij regelmatig in het Lauwersmeer te zien.

In het voorjaar is de kleine strandloper mooi roodbruin gekleurd. Het is een nogal kleine strandloper, niet groter dan een vink. Je ziet hem driftig heen en weer gaan op het slik.

De Temmincks strandloper lijkt veel op de kleine strandloper. Het grootste verschil is de kleur van de poten, zoals hier is te zien. Ook zijn veren hebben minder kleur en je ziet hem maar zo nu en dan.

Hier is het geen voorjaar, maar duidelijk winter. De bonte strandloper heeft zijn  nogal egaal gekleurde winterveren opgezet, zodat hij de kou – ondanks de zon vriest het stevig – kan trotseren.

Als hij niet al zo heette, zou je hem zo noemen. De oeverloper fourageert op de grens van land en water. Daar is hij vaak te vinden, al is het een vrij schuwe vogel. Van een afstand valt hij op, omdat hij zijn achterlijf steeds op en neer beweegt. Ook de scherp afgetekende driehoek van bruin en wit op de flank is kenmerkend.

Misschien wel de meest algemene steltloper van ons land, de kievit met zijn opvallende kuif. In het voorjaar zijn de spectaculaire baltsvluchten een lust voor het oog.

De wulp is de grootste steltloper van ons land. Met zijn lange kromme snavel is hij gemakkelijk te herkennen. Meestal op het wad te vinden, maar bij hoog water gaan ze de dijk wel over. Zoals hier, dicht bij Lauwersoog. Zijn jodelende zang is prachtig.